Pijpenkop van Jut

DE PIJPENKOP VAN JUT
door P.K. Smiesing
Artikel uit PKN 23,
1983, p. 68 t/m 69.

AANVULLING OP DE "PIJPEKOP VAN JUT
door Theo Bottelier
Artikel uit PKN 104, 2004, p. 1572 t/m 1574.


De pijpenkop van Jut
door P.K. Smiesing

In het PKN-nummer van maart 1980 (no.8) deed ik een oproep aan de collegaverzamelaars om uit te kijken naar de bijzondere pijp van de Goudse pijpenfabriekant G.J. Wagenaar. De aanleiding was een advertentie in het  "Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad", nr.297 van het jaar 1875. Voor leden , die mogelijk niet in het bezit zijn van de betreffende PKN-aflevering volgt nog even de advertentie. 'Als een staaltje van kurieuze spekulatie medegedeeld dat de pijpenfabrikant G.J. Wagenaar Wz. op de Raam te Gouda, Goudsche pijpen verkoopt met de portretten van de vermoorde mevrouw van den Kouwen en hare dienstbode H. Beelo'. De dader Hendrik Jut werd nog het meest bekend door een bepaalde krachtmachine op de kermissen. die in gebruik is gekomen onder de verse herinnering aan de moord op 13 december 1872.

Dit voorjaar kreeg ik een telefoontje van Joël van de Rhoer. Bij het graven in de bagger, afkomstig uit de slotgracht van een kasteeltje, vond hij zo'n pijp. Eerst bracht hij de portretten op de pijpenkop in verband met de geschiedenis van het kasteel. Totdat hij bladerend in de oude PKN-nummers de oplossing vond.

De pijp heeft een gestroomlijnde kop met ronde bodem. De kop heeft een lichte helling naar achteren onder een hoek ten opzichte van de steel van 120º en is zelfs enigzins eivormig. De maten van de kop zijn: hoogte 47 mm, breedte 29 mm en de doorsnee van de mond meet 23,5 mm. De naden zijn weggewerkt en vertonen een streepjesmotief. Op het portret op de linkerzijde zien we een oudere dame getooid met een muts versierd met linten. Volgens het opschrift op de linker steelzijde stelt deze afbeelding mevr. v.d. Kouwen voor. Het portret op de andere zijde toond een jongere dame. Op de steel lezen we H. Beelo.
Aardig is vooral dat dit oude krantenbericht een mogeijkheid blijkt tot dateren van deze pijp.

TERUG
-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-


De dienstbode Helena Beelo en Mevrouw van der Kouwen te Cate
-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-

Aanvulling op de "De pijpekop van Jut"
door Theo Bottelier

Bladerend in oude nummers van de PKN , kwam ik weer de pijpenkop tegen met hierop de portretten van de twee vermoorde dames in Den Haag (Smiesing 1980-1983). Omdat ik eenzelfde pijpenkop bezit met wat aanvullende historische gege­vens, werd besloten om een en ander op papier te zetten.
Op de pijpenkop staan de portretten van mevrouw W. TH. van der Kouwen te Cate en haar dienstbode Helena Beelo. De pijp is vervaardigd door G. J. Waagenaar te Gouda. Deze pijpen werden, blijkens een advertentie uit 1875 in het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad nr. 297, door Waagenaar te  koop aangeboden. Deze pijpen  moeten gezien worden als een teken van gerechtigheid voor de brute moord op beide dames in 1872. In 1875 wordt de dader gearresteerd, in hetzelfde jaar
brengt Waagenaar de pijp met hierop de portretten van beide dames op de markt.

Mevrouw van der Kouwen te Cate bewoonde een statig huis aan de Bocht van Guinee waar ze een zekere stand ophield omdat ze in het bezit was gekomen van een nalatenschap van F 50.000., daarvan had ze dit huis gekocht en de rest gestoken in sieraden en aandelen. Als haar vriendinnen op bezoek kwamen, moesten deze met het dienst­meisje in de salon plaats nemen waarna een grote zwarte tas op tafel werd gezet. In deze tas zaten schitterend uitgevoerde effecten die door allen werden bewonderd en daarna weer werden opgeborgen, vervolgens kwamen de sieraden aan de beurt, dit herhaalde zich bij elk bezoek. Op 12 december 1872 werd mevrouw te Cate en haar dienstmeisje Leentje vermoord. Navraag bij de vriendinnen leverde op dat behalve alle juwelen voor tenminste F 20.000 aan bankbiljetten en zeker voor het dubbele aan effecten was verdwenen. Van de dader ontbrak elk spoor. Door verraad kwam de zaak in 1874 aan het rollen, de politie kreeg het bericht dat Hendrik Jacobus Jut, 24 jaar, bij zijn terugkeer uit Afrika een hoeveel­heid aan goud, zilver en juwelen had meegebracht. Hendrik Jacobus had een zoon en was getrouwd met Christina Goedvolk die vroeger als dienstmeisje bij mevrouw te Cate had gewerkt en dus van haar rijkdom afwist. Het duurde echter tot 28 april 1875 voordat beiden werden gearresteerd, aanleiding was een dronkemanspartij waarbij Jut verklaarde in Den Haag de dubbele moord te hebben gepleegd.

De aanleiding tot de diefstal lag in het feit dat Hendrik Jacobus een onecht kind was van Maria Jut en op zijn papieren de aantekening had 'vader onbe­kend'. Dit stak hem zo erg, dat toen Christina in verwach­ting van hem was en hij met haar wilde trouwen  hij de roof beraamde die tenslotte op de dubbele moord uitliep. Als de roof slaagde kon hij met haar trouwen en zijn kind een goede naam geven, ook was hij meteen schatrijk (Jaarboek 89/90 Rijkspolitiemuseum Apeldoorn). Hendrik Jacobus Jut werd veroordeeld tot levenslang, (de doodstraf was jaren daarvoor afgeschaft) en Christina tot 12 jaar. Beiden moesten hun straf uitzitten in het tuchthuis te Haarlem. Dit gebouw werd gebouwd in 1609 en gesloopt in 1902. De fraaie poort van dit gebouw werd overgebracht naar het Frans Halsmu­seum te Haarlem. Boven in de poort bevond zich een beeld met de voorstel­ling van De Liefde (Speet 1995). Jut stierf in 1878.


Hendrik Jacobus Jut

Wie was deze Jut? Over hem zijn weinig gegevens bekend, hij werkte als kelner in het Pico hotel aan het Haagse Spui. Of Jut echt zijn achter­naam was is onzeker, de verklaring van een woordenboek bij 'kop van Jut' geeft: moordenaar uit Jutland (Van Dale 1999). Na zijn dood werd zijn hoofd, ook wel kop, van zijn lichaam verwij­derd en op sterk water gezet. Het heeft jarenlang in de anatomische afdeling van de Rijksuniversiteit van Groningen gestaan, tot studieobject voor studenten en voor de macabere nieuwsgierigheid van vele niet-studenten. In deze periode zal ook de kermis­term 'kop van Jut' zijn ontstaan. Christina heeft na haar vrijlating in 1888 de naam Munnema aangenomen en bewoonde omstreeks 1905 in Haarlem een huis waarin zich een gevel­steen bevond voorstellen­de: DE LIEFDE. (Saillant detail is hier dat zowel Hendrik Jacobus Jut als ook later zijn weduwe in een pand waren gehuisvest waar de liefde als beeld boven de ingang stond!) Zij ging altijd in het zwart gekleed en leek een keurig net vrouwtje. Toen ze echter ging informeren naar een vrij gekomen woning in het hofje van Guurtje de Waal te Haarlem, werd ze door een andere woning­zoekende herkend als de weduwe van moordenaar Jut. Toen er over haar informatie werd ingewonnen door armenop­ziener Nel Cornelis bleek zij de ene man na de andere te verschalken, op 70- jarige leeftijd had zij in haar huis nog een verhouding met een 27- jarige tuinder­knecht.. Zij was stevig aan de drank en had op de schoor­steen een fles eau de cologne staan om de dranklucht te verdoe­zelen. Ook ging het gerucht dat zij met een pistool op zak liep. Na haar herkenning vertrok zij met onbekende bestem­ming (Steur 1986). Van de zoon, waar eigenlijk alles om begonnen was, omdat Hendrik Jacobus hem een eerlijke naam wilde geven,  is niets bekend. De hier afgebeelde pijpenkop komt uit dezelfde mal als de pijpenkop die wordt afgebeeld op pagina 68 in PKN 23. Op beide pijpenkoppen is een foutje zichtbaar wat zich bevindt boven de afbeelding van mevrouw van der Kouwen. Om het portret is een kader aangebracht met enkele cirkeltjes. Rechts naast de bovenste cirkel bevindt zich het foutje in de vorm van een half cirkeltje. Ook zijn de maten van beide koppen gelijk, hoogte: 47 mm, breedte: 2,9mm en diameter monding: 24 mm. Op de linker steelzijde is de naam mevr. v.d. Kouwen met pareltjes omka­derd en op de rechterzijde die van H. Beelo. De naad aan de rokerszijde is weggewerkt en vertoont een streepjesmo­tief, de andere naad is niet weggewerkt.

Over de moordzaak is in 1970 een roman verschenen van J. Fabricius genaamd: De kop van Jut.

foto's : J. van Rijsbergen

 

Geraadpleegde literatuur:

-          Jaarboek Rijkspolitiemuseum Apeldoorn, Het Haagse volk eiste de kop van Jut, 1989/1990, p.35 t/m 37.

-          Smiesing, P, Een bijzondere pijp, PKN 8, 1980, p.2 t/m 3

-          Smiesing, P.K, De pijpekop van Jut, PKN 23, 1983, p. 68 t/m 69.

-          Speet, B,  Vijfhoek, Raaks en Doelen, 1995, p. 28

-          Steur, A.G. van der, Arm in Haarlem, herinneringen van de Haarlemse armenopziener Nel Cornelis, 1986, p. 62 t/m 64.

-          Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal, 1999, p. 1513.

 

TERUG